Zelfs bij Spangas hebben ze het erover: gemiddeld gooien Nederlanders per persoon per jaar 50 kilo aan voedsel weg. Goed voedsel, dat nog gewoon gegeten kan worden. Omdat we te veel hebben gekocht, te veel hebben klaargemaakt, het niet lekker vonden of het te lang in de fruitschaal of koelkast hebben laten liggen.
Voedsel, dat met heel veel tijd, energie, water en grondstoffen is geproduceerd. Voor een karbonaadje bijvoorbeeld, is een varken geslacht, een levend dier, dat ook kan genieten van het leven. Dat varken is grootgebracht, heeft onderdak en eten en drinken gekregen. Zijn eten bestaat gedeeltelijk uit granen, dat op een akker is gegroeid. Die akker is bemest en besproeid, wat water heeft gekost en energie om het mest met een grote wagen op te halen en uit te sproeien. De granen worden geoogst en in een fabriek verwerkt tot varkensvoer. Zijn onderdak, meestal een grote schuur, moet constant worden geventileerd en op 21 graden worden gehouden. Dit kost veel energie.
En dan wordt zo’n karbonaadje gewoon weggegooid! Omdat mensen vergeten waren om het op te eten. Of omdat ze het hebben laten aanbranden in de pan. Of omdat ze toch liever een frietje gingen halen, omdat ze geen zin hadden om te koken...
Zo’n lekker banaantje heeft al een behoorlijk weg afgelegd, voordat jij hem koopt. Hij is in een ver, warm land groot geworden aan een bananenplant. Als hij nog groen is, wordt hij van de plant gesneden en naar Nederland verscheept. Dit gebeurt in een koelcontainer, zodat het rijpingsproces tijdelijk wordt gestopt. Anders zou hij overrijp hier aankomen. De reis duurt twee tot vier weken. Aan wal wordt hij overgebracht naar één van de rijperijen. Daar gaat hij een rijpingscel in. Zo’n luchtdichte cel wordt gevuld ethyleengas. Ethyleen is het stofje, dat bananen zelf afgeven. Daardoor worden ze rijp. Tijdens het transport over zee is dit proces stopgezet door de koeling. Nu de bananen in de buurt van hun verkoopplek zijn, moet dit proces weer op gang gebracht worden in rijpingscellen.
Aan een banaan is dus veel aandacht en energie besteed. Mensen hebben onderzocht hoe zo’n vrucht het best kan worden vervoerd en gerijpt, zodat hij precies goed in de winkel komt. Die gooi je toch niet zomaar weg?!
Nu zijn wij zelf niet roomser dan de paus, hoor. Een paar jaar geleden gooiden we ook nog het eten weg, dat we na de maaltijd over hadden. Omdat we zuiniger aan moesten gaan doen, ben ik consuminderblogs gaan lezen. De schrijvers daarvan vonden het (uiteraard) ondenkbaar om eten weg te gooien. Zij deden het in een bakje en zetten het in de koelkast of vriezer om het later op te eten. Hoe klein het restje ook is.
Dat zijn we ook gaan doen. Eens in de zoveel tijd - één tot anderhalve week - hebben we een restjesdag. Daar gaat het dan nog weleens mis, omdat we teveel restjes uit de vriezer halen en omdat restjes uit de vriezer toch niet altijd even lekker zijn. Het ene gerecht laat zich beter invriezen dan het andere.
Nu doen we mee aan de Food Battle. Dat is een wedstrijd om zo min mogelijk voedsel weg te gooien. Het schijnt niet echt te gaan om het winnen (Oh?!?!), maar om de bewustwording. En ik moet zeggen: het helpt. Want we gooien toch best nog wel wat weg. Broodkapjes bijvoorbeeld, of een restje taugé.
In een volgende bericht vertel ik hoe het ons vergaat.